Slavin prive pjes anaal

..

Shemale zoekt sex vrouw zoekt maagd

Hoi, leuk dat je kijkt Zin in ee Ik ben een bloedgeil blondje jr met een heerlijke c-cup Kom je mij lekker ste Ik ben een bloedge Maison Monty Rijswijk uit Rijswijk. Ik ben een mooie rijpe vrouw 48 jaar ,met een hete lichaam, en lief,en geduldigkan ontvamgen in mijn Ik ben een mooie rijpe vrouw 48 jaar ,me Hallo ben Eva altijd geil en zin in sex. Heb zwarte haren bruine ogen cup c en 45 jaar.

Hallo ben Eva altijd geil en zin in sex Soms denk ik Ik stop hiermee hoor Ik moet maar eens wat anders gaan doen Maar verder dan sexle Soms denk ik Ik stop hiermee hoor Ik m Hallo, ik ben Joy een sexy en charmante dame van 48 jaar, lang en slank met sexy rondingen, cup 75B Hallo, ik ben Joy een sexy en charmante Geile Strenge Mevrouw met weelderig lichaam zoekt nederige bef en rimslaven, want Mevrouw ziet jou g Geile Strenge Mevrouw met weelderig lich Mevrouw Petra uit Voorthuizen.

Ik ben Lena ik ben een vole dame van 58 jaar Ik heb lange haren , C cup Ik ontvang thuis,discr Ik ben Lena ik ben een vole dame van Ik zoek mannen voor seks en dus niet voor relatie of uitgaan, maar puur voor lust en seks.

Ik zoek mannen voor seks en dus niet voo Ik ben Fabiola een dikke slet van Ik ben een echte slet ik zoek mannen vanaf Je mag mij n Lieve mannen, Eerst even dit: Bij mij hangt er e Algemeen Barebangs Bukkake Erotisch uitgaan.

Body to body massage Massage door dames Massage door paren Massagesalons Prostaat massage Tantra massage. Automonteurs Autorijles Betaling in natura Kappers Klusjes en onderhoud. Betaald sexcontact Gratis sexcontact. Voor uw en onze veiligheid en om gebruik te blijven maken van Sexjobs dient u akkoord te gaan met: Ik verklaar minimaal 18 jaar te zijn, de algemene voorwaarden van Tease Media B. Ik verklaar hiermee dat ik het privacystatement gelezen heb. Ja, ik ga ermee akkoord. Sexjobs maakt gebruik van cookies.

Dit zijn top advertenties. Het woord moet het voorwerp zelf zijn. Hij was geen charlatan, maar een oprecht dichter. Na lectuur van het Van Ostaijennummer van Tijd en Mens cf. Zo schetste Hubert van Herreweghen een biografisch-pyschologisch portret van de dichter dat in velerlei opzicht exemplarisch kan worden genoemd.

Meer nog dan door de gedichten, lijkt Van Herreweghen soms - en dat geldt bij uitbreiding voor alle moderne en dus eveneens zoekende katholieken onder de commentatoren - door de figuur Van Ostaijen geïnspireerd. Het woordgebruik van Van Herreweghen spreekt boekdelen: Geen vrouw, geen kinderen, bijna geen vrienden en, sinds de dood van zijn moeder [ Zonder erkenning maar ook zonder compromissen.

Zo leest Van Herreweghen in Van Ostaijens evolutie na Berlijn de bevestiging van zijn eigen klassieke opvatting over de versvorm: Het is echter zeer de vraag of dat helemaal klopt; de meeste late Van Ostaijengedichten zijn. Het woord en niet de syntactisch correcte volzin was voor Van Ostaijen de bouwsteen van elk gedicht.

Dat Van Herreweghen dit anders zag, geeft aan dat ook hij een Van Ostaijen voor privé-gebruik aan het samenstellen was. En het deksel op zijn bouwdoos bevestigt ultiem de christelijk-humanistische en niet-autonome poëtica van de dichter-criticus.

En er leek geen eind te komen aan de loftuitingen. Zijn leven en werk kunnen dan ook gelezen worden als schrijnende en belangwekkende getuigenissen van een kapotte tijd.

Albert Westerlinck had zich in zijn standaardpoëtica Het Schoone Geheim der Poëzie nog bijzonder kritisch uitgelaten over Van Ostaijen omdat die zich te buiten was gegaan aan het produceren van inhouds-. Gaandeweg begon echter ook hij zijn mening aan te passen. En dat zal hij waarschijnlijk ook niet gedaan hebben. De strekking van dat stuk kon al afgeleid worden uit zijn opmerkingen bij het essay van Gilliams.

Van Ostaijen had immers een totale en dus goddelijke status aan het kúnstwerk toegekend, en daarmee had hij de natuurlijke orde op haar kop gezet. Ultieme zingeving kon volgens hen immers enkel van God komen en niet via een of andere zelfbedachte - zij het dan artistieke - truc. In een land dat, na de succesvolle Katholieke Actie in het interbellum, in de decennia na de Tweede Wereldoorlog in ijltempo gemoderniseerd en dus ook geseculariseerd werd, gold Van Ostaijen in dat opzicht als een voorloper en een symptoom.

Hij zat dus met Van Ostaijen gewrongen. Het onmiskenbare poëtische talent en vooral de hem zeer verwante radicale toewijding van Van Ostaijen cf. De periode dat een auteur daarvoor beschuldigend werd nagewezen was in de jaren vijftig echter grotendeels voorbij. De katholieke criticus probeerde vooral te analyseren, te duiden en - uiteindelijk - te begrijpen.

Rechtstreekse kritiek werd er alleen op de tijdgeest gegeven. Want dat was inderdaad het grote probleem met de dichter: Ze levert hem dan ook een verklaringsmodel voor alle persoonlijke eigenaardigheden die men bij Van Ostaijen had opgemerkt of aan hem had toegeschreven: En ook op dat punt kent Westerlinck geen twijfel: Van Ostaijen is de strijd met zichzelf aangegaan, maar is daarbij dus geregeld verloren gelopen.

Hij heeft geprobeerd zijn ware lot en aard te ontlopen, maar dat was uiteraard tot mislukken gedoemd. Hij vindt ze op de meest onverwachte plaatsen: Een waar en zui-. Dat doet Van Ostaijen in Bezette Stad allerminst, maar het feit dat er in de tekst wél sprake is van een gevecht tegen deze vormen van onzuiverheid verleent de bundel in de ogen van Westerlinck alsnog enig krediet.

In dit opzicht wijkt zijn interpretatie dus af van die van Van Ostaijen zelf. De nagestreefde zuiverheid was bereikt. Alle valse juwelen waren afgelegd: Hij werd waarschijnlijk dagelijks geconfronteerd met mensen die met gelijkaardige geloofs- problemen worstelden en telde wellicht ook onder zijn studenten steeds vaker jongeren die de absurditeit van het bestaan scherp aanvoelden. Het feit dàt Van Ostaijen nog enig metafysisch gevoel had, was voor hem - in een tijd waarin hij vooral aandacht voor het materiële zag - waarschijnlijk al een pluspunt.

Het feit echter dat het hier een negatieve metafysica betrof, bleef problematisch: De confrontatie tussen twee van zijn absolute Vlaamse lievelingsdichters - een relatieve tijdgenoot en een verre geloofsgenoot - valt uiteraard in het voordeel van Gezelle uit, maar voor een lezer in de jaren vijftig van de twintigste eeuw was Van Ostaijen misschien toch wel een belangrijker auteur:.

Van Ostaijen was voor hem in dat opzicht een ideale stem: In deze context heeft Westerlinck het niet langer over Gezelle, maar het is duidelijk dat die vanzelfsprekend-gelovige in dat opzicht minder interessant was. Los van zijn belangrijke poëtische verdiensten zijn strijd tegen retoriek, sentimentaliteit en cerebraliteit. De drang naar een groots en meeslepend leven, de durf die nodig is om het absolute na te streven - Van Ostaijen had ze, aldus Westerlinck, en ze verlenen hem een plaats in het heiligdom der kunsten waar ook Dante, Hadewijch, Hölderlin, Rimbaud en Van Gogh thuishoren.

Hij keert zich bijgevolg radicaal tegen een uitspraak van Vermeylen die - dertig jaar na zijn eigen smeekbede om zo'n dichter - de strevers naar het absolute had gedesavoueerd. Westerlinck wordt er zelf lyrisch van: De man was altijd al op zoek geweest naar het wezen der dichtkunst.

Een opvallend verschil met de Van Ruysbeek van een kleine twintig jaar vroeger is echter dat die toen niets van de zuiver lyrische Van Ostaijen moest weten. Hij had zich toen zelfs expliciet aangesloten bij de strenge afwijzing van die stroming in Westerlincks Het Schoone Geheim cf.

Er was intussen dus een en ander veranderd in Van Ruysbeeks poëtica en die merkwaardige evolutie laat zich eens te meer mooi illustreren aan de hand van zijn omgang met Van Ostaijen. Nadat hij in zijn laatste bijdragen voor Arsenaal beklemtoond had dat de dichtkunst dringend uit zijn impasse moest zien te geraken en dat een kritische her-denking van het recente poëtische verleden daartoe een probaat middel kon zijn cf.

In theorie én praktijk onderzocht hij zelf wat poëzie voor hem kon en moest zijn en in talrijke essays en brieven heeft hij van deze zoektocht verslag gedaan. Ondanks zijn altijd al relatief open houding tegenover vernieuwende tendensen was het zeker niet zo dat hij het poëtische experiment meteen enthousiast omhelsde. Het gedicht zal dus zijn: Ik zou zelfs zeggen dat inhoud de hoofdzaak is. Van Ostaijen zelf had dat gelukkig niet gedaan, aldus Van Ruysbeek, want niet zijn onbelangrijkste late gedichten spreken zijn eigen theorie over de inhoudsloosheid van de poëzie tegen.

En hetzelfde geldt voor die onverlaat van een Burssens die het nochtans had gewaagd om Dante en Goethe als dichters buitenspel te zetten omdat ze geen zuivere poëzie hadden geschreven.

Een jaar later was hij nog niet echt radicaal van gedachte veranderd. Zijn houding tegenover het surrealisme is in dat opzicht al even symptomatisch als zijn Van Ostaijenvisie. Hij formuleert ze overigens in quasi identieke termen. Ook het surrealisme had voor hem duidelijk zijn verdiensten: Een in de dichtkunst belangrijke uiting van die ratio en beschaving is de volzin. Het ging wezenlijk om dezelfde kwestie: Hij laat dan ook niet na op het ironische van de situatie te wijzen: Van Ruysbeek begrijpt deze overdrijving van de kant van Walravens.

En ook hier is Van Ostaijen het historische voorbeeld:. Het was niet de eerste en ook niet de laatste keer dat een criticus beweerde te weten in welke richting Van Ostaijen geëvolueerd zou zijn en zeker in het eerste decennium na de oorlog - toen de strijd tussen vernieuwers en traditionelen nog volop aan de gang was - werd geregeld gesteld dat hij vast en zeker naar de klassiekere versvormen zou zijn teruggekeerd cf. In de dialectische visie van Van Ruysbeek impliceerde dat overigens geen eenduidige regressie ; het goede van de traditie en het goede van de vernieuwing zouden uiteindelijk in een superieure symbiose samenkomen.

Of in de termen van de vroege jaren vijftig: Waar het precies in de kunst om ging werd niet verduidelijkt, maar aangenomen kan worden dat ze een combinatie van kwaliteit en pluralisme op het oog hadden. Walravens' bewering dat die poëzie de adequaatste uitdrukking van de nieuwe tijd was, moest dus verworpen worden. En ook zijn eenzijdige voorkeur voor het intuïtieve en afkeuring van het rationele kon op weinig appreciatie rekenen bij Van den Weghe.

Met de technische premissen van de nieuwe dichters was het al niet beter gesteld: Waarna een bloemlezing gedichten volgde van, onder meer, de bepaald niet experimentele Jos de Haes, Jan van den Weghe en Pieter De Prins. Ouderwets neo classicistisch waren deze gedichten echter ook niet.

Het werk van redactrice Clara Haesaert kan model staan voor deze strekking-die-eigenlijk-geen-strekking-wou-zijn zoals het blad geen poëtica wou hebben. Jonckheere o stond zelf uiteraard als een relatief klassiek dichter bekend cf. Hoe kan het, dat twee dichters die al jarenlang bevriend zijn - Van Ruysbeek was in gedebuteerd met een essay over Jonckheere cf. De reden ligt wellicht juist in het feit dat ze elkaar goed kenden en dat de ene zich jaren voordien als exegeet van de andere had gemanifesteerd; nu hun wegen uit elkaar aan het lopen waren en Van Ruysbeek steeds meer voeling begon te krijgen met de experimentelen, kreeg deze epistolaire dialoog iets van een gecamoufleerde vadermoord.

Van Ruysbeek had die waarschijnlijk voelen aankomen en heeft er alles aan gedaan om hem te vermijden. Behalve een literaire vadermoord was deze briefwisseling voor hem dus ook een gevecht met een deel van zichzelf. En in deze context uiteraard het belangrijkst: Het vertrekpunt van de discussie is de weinig subtiele manier waarop Jonckheere in zijn studie over Aafjes korte metten had gemaakt met de nieuwe dichtkunst.

En al meteen ziet Van Ruysbeek zich genoodzaakt een argument te hanteren dat radicaal ingaat tegen wat hij nog maar enkele maanden eerder zélf had beweerd: In zijn antwoord, waarin hij als kustbewoner doorlopend zeemetaforen gebruikt, geeft Jonckheere aan dat hij de nieuwe poëzie niet moet, omdat ze.

Van Ostaijen had bewezen dat het mogelijk was ànders te schrijven en toch de normale poëtische middelen intact te laten: Hij bekeek de zaken eenvoudig anders en kon daardoor zijn syntaxis andere regels doen aannemen en de gebroken associaties volgens een onverwacht ritme doen dansen. Los daarvan nog, is Van Ruysbeek er op basis van ontwikkelingen in de wetenschappen en de filosofie van overtuigd dat er een nieuwe levensvisie aan het groeien is.

Nieuwe inzichten in de fysica en de groeiende aandacht voor het paranormale leiden allemaal in dezelfde richting: De dualiteit geest-stof zou wel eens onbestaande kunnen zijn. Dat de ontwikkeling van de lyriek op die manier verloopt, had Jonckheere eigenlijk zelf al aangegeven, maar hij scheen het niet te beseffen: Wij bekijken de wereld anders. Jonckheere heeft dat wellicht ook gemerkt en haalt de grote middelen boven dit is het chantagemoment waarover ik het had.

In plaats van op de argumenten van zijn collega in te gaan, stuurt hij een klassiek rijmend gedicht op dat hij recent schreef over zijn blinde zoontje.

Het is een hard oordeel, maar geen nieuw. Van Ruysbeek hanteert hier immers precies hetzelfde argument als Van Ostaijen deed in zijn strijd met Alice Nahon: En Van Ruysbeek schrijft: Dat was een begrijpelijke tactiek: En dat bleek niet veel te zijn. Van Ruysbeek had de tactiek door en begon zijn volgende brief als volgt: Door een lokkende sirenzang te beïnvloeden?

Jonckheere beseft dan dat hij de schade alleen nog kan beperken door een oude jezuïetentruc toe te passen: En dus zet hij zelf een stap in de richting van zijn tegenstander. Eigenlijk was hij zelf ook wel geïntrigeerd geraakt door die nieuwe poëzie en hij was er zelfs al door beïnvloed: Thans betrap ik er mezelf op dat ik mijn verbeelding moet laten spelen, of werken, zonder dat rede en begrip er zich onmiddellijk mee bemoeien. Niet de overgave in de poëticale strijd, maar de overgave aan het gedicht, het besef dat een totaal rationeel begrip onmogelijk is en dat dit niet eens betreurd moet worden.

Op de weg naar het echte inzicht in de nieuwe poëzie neemt Jonckheere hier een belangrijke horde. Van Ruysbeek weigert echter ook deze uitgestoken hand: Ik zag plots dat mijn verzen, qua poëzie, qua poëtisch gehalte, qua poëtische essentie, onbestaande waren. Een totale omwenteling van mijn instelling op de poëzie was noodzakelijk. En toen die twee hun grote revolutie doorvoerden, was daar tenminste niet zoveel eenzijdig gescheld bij te pas gekomen: Van Ruysbeek ziet de val, en ontwijkt ze door er fluks overheen te springen: Zo radicaal is de vernieuwing dus, maar vooralsnog duidt Van Ruysbeek het verschil met Van Ostaijen niet aan.

Eén troef heeft Jonckheere hierna nog. Hij kiest lukraak een gedicht van Claus om aan de hand daarvan aan te tonen dat het niet voldoet aan de premissen van de nieuwe dichtkunst.

Van Rusybeek is verbluft: Neen, een gedicht moet je met al die faculteiten tegelijk lezen en genieten. Aan alle vereisten voldoet het echter niet: Van Ostaijen's gouden regel: Dat blijkt later nogmaals, wanneer Van Ruysbeek één keer impliciet en één keer expliciet een Van Ostaijenargument aanhaalt.

Het eerste geval gaat over al vallen de woorden niet aseïteit en formele noodzaak. Geen enkele stoplap, geen poëtisch vulsel meer. Rimbaud kon dat, Mallarmé ook. Voorlopig blijft het, in een latere brief, bij de suggestie dat Van Ostaijen soms in die krachttoer slaagde, omdat zijn basisopvatting over de poëzie de juiste was: Een in het metafysiese geankerd spel met woorden.

Deze definitie is altijd geldig. Slechts het bewustzijn van dit metafysische ontwikkelt zich, is vandaag reeds iets anders dan bij Van Ostaijen en zie ik morgen worden in de richting die ik u geschetst heb. Dat is de plaats die Van Ostaijen inneemt in het poëtische denken van Erik van Ruysbeek.

Het punt waar hun wegen opnieuw uit elkaar lopen heeft dan inderdaad juist te maken met die nieuwe metafysische toekomst waarvan Van Ruysbeek droomt: Het boekje synthetiseert de ideeën die in de correspondentie met Jonckheere aan bod waren gekomen en werkt ze verder uit. Vooral de filosofische kant diept hij uit. De moderne poëzie mag zich, in het spoor van het surrealisme, vermeien in het intuïtieve, omdat de wereld dat ondanks alle technische uitvindingen ook wordt: Het hoeft ook niet: Langzamerhand leren we de wereld en onszelf zien als wat we eigenlijk zijn: Alles in het heelal is en heeft energie.

In de dichtkunst moet deze nieuwe wereldvisie uitgewerkt worden door, zoals gezegd, het intuïtieve een grotere rol te laten spelen. Toch wordt de ratio niet helemaal afgeschreven. Van Ruysbeek schetst zelfs een tegenbeweging die hij onder meer bij René Char ziet: Zijn oude syntheseideeën hebben hem dus niet verlaten, maar vele andere opvattingen wel.

Waar hij vijf jaar eerder nog had beklemtoond dat van alle eigenschappen van het woord de betekenis de belangrijkste is cf. De vroegere secondanten hebben het alleen voor het zeggen: En zo komen dus ook hier, hetzij uit de theorie, hetzij uit de praktijk, de kernstukken van Van Ostaijens poëzieopvatting terug in een poëtica die dertig jaar later wordt geschreven: Intussen was hij natuurlijk als dichter zelf ook geëvolueerd.

Deze zonder meer overgenomen stijlmiddelen waren een zwaktebod, me dunkt. Van Ruysbeek is hier nog volop op zoek naar eigen woorden en beelden om zijn, in wezen, grens ervaringen uit te drukken en intussen graait hij gretig in het repertoire van een vorige generatie die gelijkaardige ambities had gekoesterd. Dat hier geen alledaagse theekransjes worden beschreven is immers duidelijk. Zelfs de astrale en dus nog niet volledig immateriële elementen kunnen hem dan niet meer raken: Dat hij - net als eerder ook Marcel Obiak cf.

De dichter tracht, traditiegetrouw, de boven zintuiglijke extase te suggereren door middel van synesthesieën. Alle dimensies vervallen, er is geen begin en geen einde. Ook seksualiteit is zo'n grenservaring en veel van de gedichten in deze bundel kunnen gelezen worden als beschrijvingen en evocaties van de liefdesdaad:.

Deze erotische beelden passen helemaal in de lichamelijkheidscultus van de experimentele dichters. Dat is ook zo in dit concrete gedicht: Hier is uiteraard ook een minder symbolische lectuur mogelijk: Die sponsen kunnen metaforisch voor een hoofdkussen staan, maar ook voor de ogen van de ander. De partners gaan via hun ogen in elkaar op. Dat azuur kan verwijzen naar de blauwe kleur van de ogen, maar uiteraard ook naar het hemelgewelf.

Maar na de witregel verandert dat: En ook de strijd zelf van de dichter komt aan bod: Het grote en het kleine gaan dan in elkaar op. Met andere woorden, zij bevinden zich nog in het stadium van involutie in het stoffelijke, dit laatste is er nog sterker voelbaar in. Even vóór het zwijgen der mystiek. Precies dezelfde gedichten vond hij in zijn Grondslagen nog teveel de producten van een vorige, te weinig vergeestelijkte levenswijze cf. En ook op zijn Gezellestelling uit begin jaren vijftig komt hij terug.

Van Ruysbeek verwerpt bijgevolg ook Westerlincks bewering als zou Van Ostaijen zowel in zijn leven als in zijn werk ten onder zijn gegaan in het niets en de negativiteit. Dat boek markeerde - los van de vele intrinsieke kwaliteiten op het filologische. Niettemin wil Van Ruysbeek ook bij Hadermanns verhaal een nuance aanbrengen. Hij is het namelijk niet eens met het modernistische geloofspunt dat stelt dat de zinloosheid het nihilisme kan overwonnen worden door het scheppen van een volstrekt zuiver, autonoom kunstwerk.

Absurditeit en nihilisme zijn er dan ook niet aan de orde. Het kunstwerk overwint het nihilisme niet, want buiten het kunstwerk zou dat dan gewoon blijven bestaan. Een definitieve overwinning van het nihilisme vereist het verwerpen van het nihilisme, aldus Van Ruysbeek. En zo had Van Ruysbeek wellicht ook zijn eigen poëtische droom omschreven. Na de afwijzende passage over hem in het standaardwerk van Vermeylen cf.

Drie jaar later verscheen dan De Vlaamse Letterkunde van tot heden van R. Ondanks zijn scherpe inzicht in de poëtica van de auteur, bleef ook Lissens hem wel uitdrukkelijk interpreteren binnen de door Van Ostaijen zelf aangegeven teleologische lijnen de lange weg richting het organisch-expressionisme.

De klemtonen die hij zelf legt zijn vooral van morele en pyschologische aard. Dat bleek ook toen hij het tweede poëziedeel van het Verzameld Werk besprak voor De Periscoop. De aardschok die de Europese poëzie trof in de jaren vijftig bracht zelfs sommige vernieuwende dichters zelf aan het wankelen. Die probeerde al sinds de jaren dertig de poëtische productie en evolutie in kaart te brengen cf.

Hij nam altijd en consequent het standpunt van de strikte autonomist in; de woordkunst telt, niet de eventuele betrokkenheid bij de problematieken die ook de kranten en cafétogen beroeren.

Die mag er natuurlijk zijn graag zelfs, want Rutten schreef echt niet vanuit een door zijn jeugdheld Van de Woestijne ingerichte Ivoren Toren , maar ze kan niet als argument pro ingeroepen worden als de dichters - en Van de Kerckhove functioneert hier vaak als zijn bewijsstuk Nr.

Die uitdrukking vindt Rutten overigens uitermate belangrijk. Dat hij in deze context Van Ostaijen als gezagsargument inroept verbaast dan ook niet. Door zijn evolutie in de richting van wat door Rutten als de Opperste Poëtische Waarheid werd beschouwd, kon Van Ostaijen gelden als dé dichter die zelf al te driftig geëxperimenteerd had en die zijn dwaling had ingezien. Zijn Stravinskycitaat elders in dit essay legt wat dat betreft zijn ware bedoelingen bloot.

De componist had verklaard: Enkel het technisch gecontroleerde resultaat telde. Rutten geloofde in eeuwige en dus klassieke kunst. Het enige doel van modernistische bewegingen was die eeuwige waarden te moderniseren , aan de tijd aan te passen, vitaal te houden.

Dit neemt niet weg dat Rutten - zeker voor een criticus-academicus van zijn generatie - een grote openheid aan de dag legde tegenover de moderne lyriek. Van Hecke en Vercammen zijn intussen inderdaad helemaal van de poëtische horizon verdwenen, en als een eerder klassiek gerichte belijdenislyriek opnieuw een kans heeft gekregen tijdens en na de experimentele storm van de jaren vijftig, dan was dat bij die dichters die zich niet schroomden om moderne beelden te gebruiken Jos de Haes, bijvoorbeeld of een schijnbaar eenvoudig parlando te hanteren de nieuw-realistische dichters, cf.

Deze woordkunst-traditie leek intussen gelukkig in ere hersteld en met veel genoegen tekende Rutten de lijn Van Ostaijen-Burssens-Claus uit. Rutten had zich, zoals eerder al bleek cf. Alvast wat de Angelsaksisch opgevoede Cami, de Franstalige Bontridder en de polyglot.

Claus betrof, vergiste hij zich schromelijk. Maar zijn bedoeling was duidelijk: Walravens kreeg zijn eigen argumentatie niet Van Ostaijen, wel de Franse en Angelsaksische tijgenoten zijn bepalend, cf. De term bestond nog niet, maar anders had Rutten Walravens en co zeker verweten te lijden aan anxiety of influence.

Van Ostaijen en niemand anders stond aan het begin van de heropleving van de Vlaamse poëzie. Toen Rutten in een aantal van zijn Vlaamse Gids -kronieken bundelde tot de gefragmenteerde poëziegeschiedenis Nederlandse Dichtkunst van Kloos tot Claus was Van Ostaijen niet toevallig de belangrijkste rode draad in zijn betoog.

In publiceerde ook Pieter G. Buckinx een proeve van literatuurgeschiedenis. Die laatste was overigens zelf bepaald niet onder de indruk: Buckinx heeft inderdaad voor zowat iedereen een goed woord over. De door andere literatuurhistorici niet eens vermelde A.

Buckinx recycleerde ook hier - zoals hij voortdurend deed - stukken en brokken van oude teksten, en dit stukje kwam al in én in letterlijk voor in De Tijdstroom cf.

Niet dat Buckinx verder geen lof had voor Van Ostaijen: Zijn opmerking over het volgens hem voortijdig afsterven van Van Ostaijen dus vooraleer hij een écht groot dichter was geworden moet waarschijnlijk ook in die context gelezen worden: Het gevoel dat ze het hier over verschillende Van Ostaijens hadden was overigens wederzijds.

Dit geldt bij uitstek voor Remy C. Eerder bleek al hoe hij zich identificeerde met de verdoemde dichter Van Ostaijen cf. Het gedicht dient voor Van de Kerckhove dus duidelijk niet als verstrooiing voor het slapengaan. Via het woord en het gedicht hoopt de dichter zijn geschokte geloof in de mens en het leven te kunnen herstellen. Hij gaat er niet vanuit dat dit lukt het eerste woord is niet toevallig: Enkele van de belangrijkste thema's en motieven van De Feesten van Angst en Pijn komen hier terug: Het zuiverheidsverlangen waar Walravens zo vaak over sprak naar aanleiding van de Vlaamse experimentele poëzie cf.

Die zuiverheid wordt overigens niet alleen verbaal nagestreefd. Onder meer door deze elliptische zinsconstructies wordt het gethematiseerde roeseffect extra gesuggereerd. Een ander gevolg van deze techniek is dat de resterende, afzonderlijke woorden beter kunnen resoneren. In sommige gedichten wordt de reductie zover doorgevoerd dat er slechts een of twee woorden per versregel staan afgedrukt. Soms kloppen de zinnen syntactisch wel, maar worden ze bewust zo sober gehouden dat ze hun sonoriteit extra kunnen uitbuiten.

Het zijn echter wel diens ideeën die worden vertolkt: Centraal in de bundel staat immers een reeks gedichten waarin Van de Kerckhove verbale portretten van steden probeert te schrijven, meer bepaald: De frivoliteit van de hier gevarieerde late Van Ostaijen ontbreekt uiteraard in deze evocatie van een van de symboolsteden van de oorlog.

Van heroïek is er hier echter geen sprake. Alles staat in het teken van de dood. De bundel bevat verder enkele. Op een bepaald moment - net als in Bezette Stad is er sprake van een communistische revolutie - wordt het grote voorbeeld zelfs herhaaldelijk met naam genoemd:.

Dit zijn veel meer dan wat toevallige verwijzingen. Niet alleen wordt Van Ostaijen in één adem genoemd met zijn Russische collega-dichter-revolutio-. Van Ostaijen lijkt in alle opzichten een model voor Remy van de Kerckhove: Alle gekende esthetiek werd in een wanhopig-cynische geste overboord gegooid. Aan de gekweldheid van Van de Kerckhove veranderde de volgende jaren weinig. De titel van zijn volgende bundel Een kleine ruïnemuziek beloofde.

Vanaf de allereerste woorden maakte de dichter, via een oxymoron en dus met alle contradicties vandien, duidelijk wat een gedicht voor hem moest zijn: Door haar potentiële eeuwigheidswaarde kon de poëzie loutering brengen en elk absurd verlies oorlog, dood compenseren. Dat was, opmerkelijk genoeg, Van de Kerckhoves visie op de autonomie van het gedicht: Hoewel hij zelf beschouwd wordt als dé ethische dichter bij uitstek van zijn generatie, zag Van de Kerckhove het gedicht dus als een onafhankelijke, elke begrenzing transcenderende kracht.

Het ware gedicht laat zich niet knechten. Hoezeer schrijven voor Van de Kerckhove ook een therapeutische waarde had, blijkt uit de slotstrofe: De vraag of het dat ook voor de lezer doet, en of de verder afgedrukte gedichten in deze bundel de verhoopte eeuwigheidswaarde hebben laat ik gemakshalve onbeantwoord.

Dit is het slot:. Van de Kerckhove permitteert zich misschien meer vrijheden dan Van Ostaijen de syncope is wel erg lang , maar het blijft moeilijk om dit soort gedichten niet als wat twijfelachtige pastiches te zien. Wie Lampo hier op het oog heeft is me niet duidelijk. Gezien het tijdstip van deze recensie september sloeg het wellicht niet op de latere Tafelronde -dichters, want die hadden zich op dat moment nog niet echt geout als Van Ostaijenfans en al helemaal niet als herauten van de vernieuwende poëzie cf.

En ook Van de Kerckhoves vrienden uit Tijd en Mens komen niet echt in aanmerking. Hij stelde uitdrukkelijk en helemaal in de lijn van wat Lampo twee maanden later zou schrijven: Dat kwam ook niet in zijn kraam te pas, natuurlijk. Hem was het ook hier weer te doen om het belangrijke inhoudelijke verschil tussen de dichters, dat rechtstreeks verband hield met de fundamenteel gewijzigde wereld waarin Van de Kerckhove dichtte cf.

Mij is, behalve van de toen evenmin als modernistisch geboekstaafde D'Haen, slechts één andere recensie bekend uit deze periode waarin Van de Kerckhove negatief met Van Ostaijen wordt vergeleken.

Ze verscheen in de socialistische zusterkrant Vooruit , maar wel ruim een maand later dan die van Lampo. Deze lacune is misschien te wijten aan de omwentelingen die zich in dezelfde periode voltrokken binnen de redactie van Tijd en Mens.

De andere Tijd en Mens 'ers beschouwden zichzelf niet echt als expressionisten. Zij hadden contacten met de Nederlandse atonalen en beschouwden, niet zonder redenen, het expressionisme als een stroming uit het interbellum. Joosten suggereert dat de belangrijkste poëziebijdragen die Van de Kerckhove in De Derde Ruiter publiceerde, door Tijd en Mens geweigerd zouden kunnen zijn [idem: De oorlog, het geweld, het cynisme, de Europese cultuurcrisis Zelfs binnen de ontwikkeling van zijn eigen neo-expressionistische poëzie leek dit een stap terug voor Van de Kerckhove.

De in de Verzamelde gedichten weggelaten maar in de tijdschriftversie afgedrukte datering van dit gedicht verklaart hoe dat kan: Ook dit gedicht was dus geschreven onder directe invloed van de schokkende oorlogservaringen van Van de Kerckhove cf. En gezien de rest van de teksten in De Derde Ruiter zou dat inderdaad kunnen. Het openingsstuk in het nieuwe blad was geschreven door Ben Lindekens. Helemaal in de lijn van wat hij als Frank Gerdels had beweerd tijdens het jongerendebat cf.

Zo'n tekst paste perfect in het voorgeschreven programma: Over Bezette Stad of Van Ostaijen wordt hier nergens expliciet gesproken, en in dat licht bekeken verbaast dat ook niet: Van Ostaijens werk was altijd analytisch en - vooral waar het de kunst zelf betrof - heel technisch. Over de technische aspecten van de kunst hadden ze bij De Derde Ruiter echter geen uitgesproken mening. Als artistiek-literair model schuift Lindekens zeer overtuigd Ruimte naar voren en dat lijkt me, gezien het voorgaande, erg logisch; ook bij Ruimte waren ethische kwesties belangrijker geweest dan kunsttheoretische cf.

Lindekens tekent overigens op drie vlakken voorbehoud aan bij Ruimte. Vormkwesties zijn simpelweg niet aan de orde in dit blad.

Dat was een neo-classicistische opvatting bij uitstek, zij het dan een die zelfs door een criticus als Westerlinck niet meer met die woorden vertolkt werd cf.

De Derde Ruiters waren, kortom, neo-classici met een uitgesproken humanitaire inslag. Voor contemporaine buitenstaanders was dit echter helemaal niet zo duidelijk. Trouwens, toen hij dit schreef deed het er zelfs al niet meer toe. Het Derde Ruiter -experiment was al na enkele nummers spaakgelopen wegens gebrek aan geld en abonnees.

De renegaten Van de Kerckhove en Brulin zouden in december terugkeren in de schoot van de moederkerk, Tijd en Mens. In datzelfde jaar verschijnt ook Van de Kerckhoves volgende bundel, Veronica. Roependen in de woestijn, dàt waren ze. Of zoals Van de Kerckhove schrijft, opnieuw in een als gedicht geversificeerd opstel: Enkele gedichten later staat er: De literatuur leek steeds minder belangrijk te worden voor Van de Kerckhove.

De geborgenheid van het gezin en de actieve daad in het burgerleven hadden de plaats ingenomen van het gedicht. Een jaar later werd Van de Kerckhove benoemd tot adjunct-directeur van het Commissariaat-Generaal van wat later Expo 58 zou. De volgende jaren werd hij helemaal opgeslorpt door het vele werk dat bij de voorbereiding van de wereldtentoonstelling kwam kijken. Zelf maakte hij de opening echter niet meer mee.

Op 2 januari kwam hij in Duffel om het leven bij een verkeersongeval. Enkele dagen voor zijn dood had hij nog aan Raymond Brulez zijn toekomstplannen uiteengezet: Trachten mij nuttig te maken. Zowel Raymond Brulez als Hubert van Herreweghen merkten terecht op dat de laatste gedichten van Van de Kerckhove veeleer aan Moens deden denken. Daarmee wilden ze overigens zijn eigenheid niet ontkrachten.

Het is opvallend dat de retoriek waarmee Boon, Wauters en Walravens over Van de Kerckhove geschreven hebben niet zo veel verschilt van die waarop men tussen pakweg en over Moens sprak. Hij verkondigde de opstandigheid. Hij beleed de genegenheid voor vrouw en kind. Hij ijverde voor een konkreet gezuiverd samenzijn. Humane kommernissen vormden zijn poëtische inslag. Een rechtstreeks gevolg van die veranderde, gebroken wereld was dat Van de Kerckhove voor de vorm van zijn gedichten tijdelijk bij de Berlijnse Van Ostaijen terechtkwam.

De vloekende en woekerende chaos in zijn hoofd vereiste een ritmische typografie op het blad. Dat hij zich daardoor de voor de hand liggende opmerking annex beschuldiging op de hals haalde dat hij een epigoon was, kwam wellicht niet eens bij hem op.

In eerder traditionele poëtische milieus wordt de authenticiteit van sonnettenschrijvers toch ook nooit ter discussie gesteld, en zij maken gebruik van dé. Dat Van de Kerckhove, vooral in de decennia na zijn dood, die clemente behandeling niet te beurt is gevallen, heeft veel, zo niet alles te maken met de status van experimenteel dichter die hem zeer expliciet werd toegeschreven - onder meer door Walravens.

Van de Kerckhove was wel een zoeker, maar hij was niet op zoek naar de poëzie. Als de Vlaamse neo-expressionist bij uitstek, gebruikte hij het gedicht om getuigenis af te leggen. Hij zag het als een romantisch uitdrukkingsmiddel in zijn zoektocht naar een nieuwe mens. Overigens was die nieuwe mens intussen wel degelijk gearriveerd, zij het niet in de uitvoering waarvan Van de Kerckhove altijd had gedroomd.

Alle oorlogstrauma's werden er onder dikke lagen beton en asfalt begraven. Vrijheid en vooruitgang waren meer dan ooit de ordewoorden. En de weinige jongeren die ook daarvoor niets voelden, voelden zo mogelijk nog minder voor de apocalyptische wanhoop van een Van de Kerckhove.

De dichters en critici die tijdens de oorlog hun beslissende adolescentiejaren hadden doorgemaakt waren door die oorlog getekend op een manier die jongeren die in nog kind waren zich onmogelijk konden voorstellen.

Met de ethische accenten die Walravens, Bontridder, Cami en Van de Kerckhove voortdurend legden hadden zij niets te maken. Hoewel hun experimenteerdrift op de vanzelfsprekende belangstelling van Walravens kon rekenenen, bleef ze hem in dat opzicht altijd fundamenteel vreemd.

Ondanks het feit dat ze in zovele opzichten radicaal tegenover elkaar gestaan hadden en ook toen nog stonden, waren Walravens en Westerlinck op dat vlak eigenlijk meer met elkààr verwant dan met jonge dichters als Gust Gils of, zoals de progressieve spellingcode het toen voorschreef, karel du bois. Du Bois en Korun hadden in het gratis stenciltijdschrift taptoe opgericht en daarmee hadden ze meteen de nodige aandacht losgeweekt. De auteur leek zich voorbij goed en kwaad te bevinden, Als zovele romantische jongeren voor en na hem probeerde hij te leven van en voor de kunst en de liefde.

Dat vond Boon op zich wel sympathiek, maar nóg sympathieker was hem het taptoe -feuilleton waarin de redacteurs de vloer aanveegden met literaire coryfeeën als Maurice Roelants en Urbain van de Voorde. En weer was Paul van Ostaijen in zekere zin de inzet van de polemiek. Tijdens de bezetting heb ikzelf als eerste weer een lans voor Van Ostaijen gebroken, in een lang opstel dat een gans en apart nummer van Klaverdrie vulde.

Ik stond daar zo goed als alleen mee, want de nieuwste generatie zat nog in de kluiten. Maar wat ik toen verdedigde was de oogst van Van Ostaijen's experiment, terwijl de jongeren thans willen overdoen wat uitgebloeid is. En die laatste gedachte werkt hij hier verder uit: Herreman nog onlangs herhaalde: Johan Daisne, trouw medestrijder van Paul van Ostaijen! Het liet zich dan ook aanzien dat er heftig gereageerd zou worden. Het leek wel alsof ze bang waren van het alle verhoudingen in acht genomen toch wel relatieve zwaargewicht Daisne en ze dus gezagsargumenten nodig hadden van auteurs die inderdaad ook enig gezag hadden.

En achteraf gezien was dat misschien wel een correcte inschatting. Daarover gingen de in nummer vier afgedrukte reacties echter niet. Afwisselend zeer ernstig en lacherig-sarcastisch leverden de aangeschreven auteurs stuk voor stuk een verdediging van de moderne poëzie.

Alleen de grootste onder hen, Hugo Claus, voldeed in dat opzicht bepaald niet aan de verwachtingen. Gaston Burssens maakte nauwelijks enkele regels vuil aan de hele kwestie, maar hij slaagde er wel feilloos in de door mij zonet geciteerde Daisneverzen genadeloos tegen de auteur zelf te gebruiken.

Ironie was ook hier zijn enige wapen. Zijn antwoorden zijn - net als zijn Van Ostaijenessay in Tijd en Mens cf. Meridiaan -redacteur Pieter de Prins. Daisnes bewering als zou Van Ostaijen zélf een classicist geworden zijn, hoonde hij weg.

Dat Van Ostaijens poëtische vriend en erfgenaam Burssens aan hun zijde meestreed, bewees het ongelijk van Daisne afdoende, vond hij. Hij zag in de reacties al zijn stellingen bekrachtigd: Daisne was waarschijnlijk zó zeer verrast door wat hij daar te lezen kreeg, dat hij vergat deze tekst voor zijn eigen kar te spannen.

Ter afwisseling dienden de woorden: Had hij gelijk een extra argument om te beweren dat alleen de term neo-klassiek dienst kon doen bij de omschrijving van goede poëzie. En dan kende hij de brief over de alexandrijnen en Von Platen nog niet die Claus aan Walravens geschreven zou hebben [Wildemeersch a: Met, afwisselend, superieure ironie en didactische overtuigingskracht probeert hij de debutant op zijn fouten te wijzen en suggesties aan de hand te doen om zijn werk te verbeteren.

Uit de brief aan Vonck blijkt echter dat hij zich vooral ergerde aan de in deze poëzie gebruikte clichés, die uiteindelijk geacht werden te verdoezelen dat het hier nog steeds heel vaak ouderwetse en al te sentimentele en expliciete belijdenislyriek betrof. In dat opzicht was Claus' opvatting dus niet veranderd. In dat opzicht is het niet zonder belang dat de snelcursus poëzie die Claus aan Vonck geeft een beschrijving van het gedicht bevat die erg verwant is met de organisch-associatieve opvatting die Van Ostaijen in dat opzicht koesterde: Het gedicht van Vonck was langdradig, redundant en miste een dwingend ritme.

Dezelfde onkunde irriteerde Claus op het vlak van de literaire kritiek. Hij had zeer grote. In plaats van kritische dooddoeners en oppervlakkige op-de-kar-springerij wou Claus dat zijn eigen werk naar waarde werd geschat en dat het dus volgens zijn eigen premissen werd bekeken en beoordeeld.

In zekere zin bevond hij zich nu in de positie waarin Van Ostaijen zich bevond toen het expressionismedebat uitbrak cf. Dat hij van de weeromstuit het classicisme begon te bezingen en beoefenen was echter niet alleen het gevolg van de allergische reactie die de hele experimentele hype bij hem had opgewekt, het lag ook helemaal in zijn aard.

Het was ook niet iets dat zich pas in begon te manifesteren. Uiteindelijk waren ook Een huis dat tussen nacht en morgen staat en, vooral, tancredo infrasonic veel gevarieerdere bundels dan de hetzij positief, hetzij negatief op het eenduidige experiment gefixeerde critici hadden gemerkt. Als Daisne kennis had kunnen nemen van deze brieven en dit gedicht zou hij ze uiteindelijk dus toch niet voor eigen gebruik hebben kunnen inzetten. Wat Claus de zogenaamd progressieve jongeren en critici au fond verwijt is immers niet dat ze té experimenteel zijn.

Ze zijn het te weinig. Ze hebben gewoon slaafs het ene isme neo-classicisme verruild voor een ander experimentalisme, atonalisme Op het eind van zijn brief aan Vonck schrijft hij: Is dat geen voldoening? Daisne zegt dat gij op een gevaarlijk pad zijt, het existentialisme, het nihilisme nabij? Hij bevond zich simpelweg voorbij de tegenstelling modern-klassiek. Claus stond lang niet alleen met zijn voorbehoud bij het werk van de neo-experimentelen. Ook Boon formuleerde zijn bedenkingen cf.

Wat lang haar en het gitaarspel waren voor de generatie die opgroeide met The Beatles en Bob Dylan, waren de moderne poëzie en de bebop voor wie jong en radicaal was in de jaren vijftig. Bloemlezingen als nieuwe griffels, schone leien en waar is de eerste morgen? Van de Nederlandse anthologie waren er na elf maanden al Bijna allemaal jongeren die - te midden de neurose en algehele doelloosheid van de koude oorlog en de nog altijd zeer beperkte bewegingsvrijheid.

Het schrijven van poëzie werd wel eens verward met het uitzieken van een verlate puberteitscrisis en de versverworven vrijheid om het woordspel voorrang te geven boven de woordenboekbetekenis leidde niet zelden tot slecht experimenteel gecamoufleerde aftelrijmpjes: Het erotische en, in een Vlaamse context halverwege de jaren vijftig, wellicht ook als aberrant beschouwde kwamen hem hierbij uitstekend van pas: Tijd en Mens dreigde intussen een parodie van zichzelf te worden.

Hoewel Hugo Claus voorbehoud had aangetekend [Joosten Schepens had zich als mede-initiator van het jongerendebat weliswaar duidelijk voor de vernieuwing van de Vlaamse poëzie uitgesproken cf. Deze onhandige mix van Van Ostaijenthema's en Brunclairbeelden wekte uiteraard zowel lachlust als frustratie op bij de nieuwlichters die door Tijd en Mens waren geweigerd. Schepens was en bleef zijn leermeester. Snoek had al erg jong geprobeerd om zelf naam te maken als dichter, maar was door hét modernistische cenakel bij uitstek keer op keer geweigerd.

Het moet bepaald wrang geweest zijn om te zien dat een arrière-gardist als Schepens wél werd toegelaten. En hoewel Jan Walravens in waar is de eerste morgen? In het zesde en voorlaatste nummer van taptoe beweerde ene Rud Sondag - volgens Joosten een pseudoniem van Korun [Joosten Waar ze vroeger relatief.

Ook toen De Kunst-Meridiaan voorheen: Het was Korun hier niet om loze grapjasserij te doen, maar om een luchtige sfeer die hij bij de gewaardeerde vrienden van Tijd en Mens niet altijd terugvond. Bij Claus vond hij die wel, maar die was voor Korun duidelijk sowieso buiten categorie. Walravens had zelf altijd geprobeerd het onverzoenbare - autonomie en ethiek - te verzoenen cf. Zowel de zuiverheid van het gedicht als de verbeelde, metafysische zuiverheid werden daar ter discussie gesteld.

En ook voor hen was Van Ostaijen een belangrijk voorbeeld. Met Kloos, Moens en Van Ostaijen zou de jonge Snoek immers meteen hinkstapsprongsgewijs de verschillende vernieuwingsbewegingen van de Nederlandstalige poëzie tussen tot hebben doorgemaakt: Die elementen zijn weliswaar in zijn werk terug te vinden, maar zijn ongebundelde vroege gedichten wijzen toch vooral in een andere, veel klassiekere richting.

De jonge dichter kreeg in deze jaren les van Anton van Wilderode en ook diens poëzie kende al gauw geen geheimen meer voor hem. Hier heeft duidelijk een bekering plaatsgevonden.

De elegische sonnettendichter is plots een modernist geworden. De derde schakel in de evolutieketting Van Ostaijen, dus lijkt verwerkt. Deze razendsnelle ontwikkeling had zich vooral onder invloed van zijn versverworven vriend Adriaan de Roover voltrokken. Die was al vroeg in de jaren vijftig helemaal in de ban van de Nederlandse atonalen cf.

Op 2 maart liet hij De Roover weten: Al op 10 september schreef hij hem dat hij graag in contact zou komen met de auteurs van Tijd en Mens: Verwacht van mij dus niet dat ik me zal verklaren en verdedigen in academische termen en de nodige ismen en anten. Toch heb ik begrepen wat poesie moet zijn, dat ze tegen de plaasteren-heilig-hart-beeld poesie moet zijn, ik schrijf op mijn manier ik zoek er tenminste naar. Intussen broedde hij met zijn vriend Paul Possemiers die soms het pseudoniem Simon Vanloo gebruikte op plannen voor een eigen tijdschrift, Patroelje [idem: Pernath én oud- Tijd en Mens 'er Tone Brulin in wel gard-sivik op cf.

Op dat moment was Snoek echter al officieel gedebuteerd. Net als bij Van Ostaijen is de vervulling van de wensdromen nét niet binnen handbereik en ook hier wordt deze mededeling afwisselend in beelden en bijna-expliciete statements gedaan.

Het blijft, kortom, Vijftigerspoëzie voor beginners. We zien hier een dichter aan het werk die zijn instrument nog aan het stemmen is. Wel is meteen duidelijk dat Snoeks instrument de taal is, en niet de moraal. Ook voor hem is poëzie in eerste instantie woordkunst. Het typerende accentverschil tussen Van Ostaijen en de Vijftigers wordt echter ook door hem bevestigd. Zo zijn het de beelden die het woord en de metafoor hebben verdrongen en in hun rol een autonome functie vervullen in de ontwikkelingsgang, de tempus van een gedicht.

Dat hij zelf overigens ook vertrekt vanuit woordassociaties, gaf Snoek aan in een lezing die hij halverwege de jaren zestig in Leuven hield: Ik schrijf dus alleen maar omdat ik af en toe eens een woord vind dat mij bijzonder boeit en treft en dat ik tracht in verband te brengen met andere woorden of dingen die mij treffen. De wijsheid uit de titel en het kleuternederlands zijn echter niet zonder betekenis.

In deel A vraagt iemand een blanke, kan worden vermoed aan een. Snoek legt de pygmee vervolgens een veel intuïtiever en op het eerste gehoor onbegrijpelijker taal in de mond die toch duidelijk als alternatief naar voren wordt geschoven. Dat in B steeds tegengestelde adjectieven bij de zon en de zee worden geplaatst is immers slechts in schijn verwarrend; of beter: Tegelijk is ze natuurlijk ook uitermate on-poëtisch, aangezien het de dichter juist te doen is om de vele resonanties van het woord en de steeds wisselende betekenissen die ze kunnen opwekken.

Ook Van Ostaijen heeft zichzelf als dichter voortdurend heruitgevonden, maar waar hij dat veelal onder invloed van of parallel aan zijn theoretische ontwikkeling deed, heeft Snoek zich nooit echt met het expliciteren en doordenken van zijn poëtica beziggehouden. Ik ben een dichter van gedichten en niet de opsteller van een lastenboek volgens hetwelk mijn gedichten moeten worden opgeschreven.

De ironie van het verhaal wil echter dat hij deze, in wezen theorievijandige, uitspraak legitimeerde met een citaat van Van Ostaijen, dé oppertheoreticus van de Vlaamse poëzie.

Snoek citeert enkele zinnen die even verderop in het essay staan: Gedichten zijn slechts de uiterlike tekenen van de aanwezigheid des dichters, zoals b. Verwijst Van Ostaijen hier ironisch naar de schamele financiële beloning die een dichter voor zijn werk kan ontvangen? En daarover gaat het dus: Net zoals het woord niet samenvalt met het ding waarnaar het verwijst, zo ook valt de dichter niet samen met de mens en valt het gedicht niet samen met de dichter.

Er is uiteraard wel een band tussen hen, net zoals er in de vergelijking die Van Ostaijen zelf geeft, een verband is tussen de inkt en de inktvis.

Van Ostaijen herformuleert hier bijgevolg voor de zoveelste keer zijn theorie over de ontindividualisering, maar hij doet dat deze maal vanuit een omgekeerd standpunt.

Net zoals in de standaardversie van die theorie het gedicht nooit helemaal los kan worden gezien van de ik die het maakt cf. Hij zou wellicht zelfs beweren dat Snoek in dat geval maar beter helemaal had kunnen wegblijven, aangezien er dus ook geen rechtstreeks verband kon zijn tussen de sprekende dichter Snoek en zijn gedichten. En dat zou Snoek dan weer niet ontkend hebben. Het ontbreken van die band verleende hem immers de vrijgeleide om wat in het wilde weg te kletsen.

Dat is hem aardig gelukt, want de volgende decennia zou hij voortdurend van stijl én mening veranderen. In Ik rook een vredespijp is hij nog optimistisch, geëngageerd en constructief: De bundel bevatte inderdaad een reeks ironische of zelfs groteske gedichten, van het type dat in Vlaanderen sinds Van Ostaijen enkel nog door Burssens en Gils was beoefend cf.

Snoek schreef ze tijdens zijn legerdienst in Duitsland en die confrontatie met de. Belgicistische tucht maakte blijkbaar enige baldadigheid in hem los: De traditie van de zoetwaterpoëzie is er bij ons nog altijd niet uit. Vroeger werd Van Ostaijen nergens aanvaard. Alice Nahon vonden ze veel beter. En hetzelfde herhaalt zich. Misschien was dit zelfs een van de weinige bindende factoren tussen de verschillende gard-sivik -medewerkers.

Dat blad, uitgegeven door de gelijknamige vereniging ter bevordering van de avant-gardekunst, verscheen voor het eerst voorjaar onder redactie van Tone Brulin, Gust Gils, Hugues C. De aangewezen persoon om dat te doen was de geboren theoreticus en essayist René Gysen die al snel de gelederen was komen versterken.

Meer dan honderd jaar na de dood van vader Jan-Frans Willems en een halve eeuw na het pleidooi in Van Nu en Straks voor de kritische emancipatie van de intellectueel cf.

In een wereld waarin alle waarden op hun kop werden gezet, sneuvelden dus voorzeker ook de hoofdletters van vorst, god en vaderland. In schreef Gysen: In zijn algemenere beschouwingen over kunst en poëzie ging het hem uiteraard niet zozeer om de Vlaamse Beweging dan wel om een algemene ontwaarding van alle waarden. Met Nietzsche onder de arm ging hij - veel meer nog dan Walravens - tegen de keer in. Zijn we nu écht vrij?

Gezien de eens te meer razendsnelle burgerlijke restauratie na de ramp genaamd Wereldoorlog Twee, was dit een ambitieus program. Een volgehouden exploratie van het onderbewuste en a-logische - dààr stonden ze voor en daaruit putten ze hoop en vetrouwen. Hun geliefde jazzmuziek bewees dat het kon: Het conflict tussen autonomie en engagement waardoor Walravens geplaagd werd cf. Volledig conform de inzichten van de intussen: Het gevoel van vrijheid dat hierdoor werd losgemaakt zorgde net als bij de dadaïsten voor een explosie van creativiteit.

Hier werd een voorschot op de Golden Sixties genomen en aan het welslagen werd niet getwijfeld. Gysen was niet zo naïef te denken dat het allemaal automatisch en zonder een totale inzet en engagement zou verlopen: Van hieruit naar de au fond diep-pessimistische poëticale opvattingen van Van Ostaijen was het maar een kleine stap. Vooralsnog besefte Gysen dat zelf niet, maar zijn beschrijving van de lievelingsthema's van de gard-sivik -auteurs kwam aardig in de buurt van een boedelbeschrijving van de Nagelaten Gedichten: In een volgend programmatisch essay probeert Gysen dit inzicht nog meer filosofisch te funderen en uit te werken.

Toen begon men immers korte metten te maken met het pretentieuze universalisme dat het Westen al sinds de oudheid beheerste en dat de kern van de socratisch-joods-christelijke traditie vormde. Eens te meer op gezag van Nietzsche stelde Gysen daar de apollinisch-dionysische tegenover, waarin het tragische en het komische tegen elkaar werden uitgespeeld en waarin alles wat bedreigend en onbegrijpelijk was niet werd weggefilterd maar juist werd geïncorporeerd en gethematiseerd.

Gysen besefte echter ook wel dat zijn titel enigszins overdreven was; niet alleen Nietzsche, maar ook de surrealisten en de jazzmusici gingen, al dan niet bewust, van dezelfde premissen uit.

Het is dat echter wel op een totaal andere manier. Hetzelfde geldt ook voor de gebruikte beelden, vergelijkingen en woordspelingen; die worden niet langer bepaald door hun.

Gysen maakte in dit verband een nogal fors aangezet maar moeilijk kritisch te hanteren onderscheid tussen literatuur concreet: Enkel die categorie paste bij deze tijd: Nooit eerder werd de dichter van Het Eerste Boek van Schmoll zo overtuig en d ingezet als gezagsargument.

Alle inzichten die de jongeren hadden verworven en die nu nog steeds door de talrijke behoudsgezinde critici in twijfel of zelfs in het belachelijke werden getrokken, probeerde Gysen via hem te legitimeren. Hij camoufleerde die agenda echter door de nadruk te leggen op de educatieve doeleinden van zijn introductie tot Van Ostaijen. Hier was iemand die verheldering kon brengen wanneer de gard-sivik -gedichten onbegrijpelijk of onzinnig werden bevonden.

De twijfel die hem tussendoor, tijdens zijn persoonlijke zoektocht, waarschijnlijk was overvallen, werd plots weggenomen: Los van deze elementen, die uiteraard erg belangrijk waren in het licht van de poëzie van zijn col-.

En het viel Gysen op dat de analyses van Van Ostaijen in dat verband nog altijd relevant waren. Was intussen immers niet gebleken dat ook de communist uiteindelijk een kleinburger was, waar het kunst en literatuur betrof? En was juist dat anti-burgerlijke geen basiscomponent van de moderne kunst? Gezien die duidelijke onderbouw waaruit deze kunst ontstaan was, lag het voor de hand dat er duidelijke parallellen bestonden tussen de verschillende avant-gardistische kunsttakken.

Ook de kunsthistorische en religieuze aspecten van zijn essays hadden Gysen kunnen boeien. En dat Van Ostaijen zich bovendien ook nog een bijzonder grappig én tegelijk toegewijd en principieel maar allesbehalve vooringenomen criticus had betoond - dat kon Gysen uiteraard alleen maar tot voorbeeld strekken. En dat deed het ook. Van Ostaijen kwam in Gysens essays uit de periode geregeld aan bod. Hij situeerde Van Ostaijen ook expliciet als voorloper van de experimentele poëzie in een beschouwing voor het Brusselse studentenblad De Geus.

Hierin probeerde hij net als in gard-sivik aan te geven waarin die nieuwe poëzie precies verschilde van de traditionelere, maar deze keer trachtte hij ook - zoals Van Ostaijen doorlopend had gedaan - te bepalen waar het raakvlak tussen de contemporaine maatschappij en de dichtkunst zich zou kunnen bevinden.

Dit alles impliceerde natuurlijk niet dat er géén maatschappelijke rol zou kunnen zijn voor de dichtkunst. Van Ostaijen benadrukte in zijn late jaren zowel het entertainmentgehalte de goochelaar, de verrassing, het plezier als - bien étonné Gysen vertrok van het tweede de definitieve breuk die voor dat gevoel van onvolkomenheid zorg-. Hij zette zijn redenering op vanuit het overdonderende succes van de wetenschap en plaatste daar dan kanttekeningen bij.

Dit was het probleem: Precies op dat punt situeerde Gysen het belang en het enjeu van de experimentele poëzie. Hij had het subject-objectprobleem doorgedacht en was tot de conclusie gekomen dat uitgerekend de poëzie het terrein is waarin zeer duidelijk blijkt hoe totaal de kloof is: Een werkelijk dichter is van die waarheid vervuld, vermits zijn speciale begaafdheid op de taal gericht is.


..





Behaarde negerinnen kut bi vrouw nl

  • DIKKE OUDE KUT BISEX KOPPELS
  • Slavin prive pjes anaal
  • 481
  • Grote tieten likken gratis spuitende vrouwen

Prive escort sofie sex advertenties tilburg